|
OVERDENKINGEN BIJ DE VIERINGEN |
Zondag 8 januari 2012: Openbaring van de Heer
Een ster zien en in heel je wezen voelen,
dat je op weg moet gaan, dat je de ster moet volgen. Dat overkomt de drie wijzen
uit het oosten, het westen en het zuiden, die in een eeuwenlange traditie van
vertellen de namen Caspar, Balthasar en Melchior hebben gekregen. Ze zijn met
hun kamelen een vaste figuren in de kerststal geworden. Eén is er zwart, één
ouder en één jong nog zonder baard. Zo vertegenwoordigen zij alle volken. Deze
drie wijzen zoeken een koning. Op hun zoektocht komen zij ook in Jeruzalem, de
hoofdstad, waar koning Herodes woonde en waar de tempel was. Daar is de ster
niet te zien. Want Herodes is allesbehalve de koning die zij zoeken. Herodes
voelt zich bedreigd door de aankondiging, dat uit Betlehem een leidsman te
voorschijn zal treden die herder zal zijn over Israël. Hij probeert de wijzen
voor zijn karretje te spannen. Maar zij begrijpen, dat hij als koning geen
herder is, maar een tiran. Oneerlijkheid, onrecht, machtsmisbruik en
zelfverrijking drijven hem. Het licht van de ster verbleekt bij zoveel
duisternis. Pas buiten Jeruzalem is de ster weer te zien en leidt hen naar
Betlehem. Daar aangekomen houdt de ster stil op de plaats waar het Kind zich
bevond. Zij wisten dat ze in die eenvoudige stal op het goede adres waren, want
een diepe vreugde vervulde hun hart. Verwonderd waren ze ook, want de koning
blijkt een pasgeboren kind. Ze brengen hulde en overhandigen hun geschenken:
goud, wierook en mirre. Het zijn symbolische geschenken die al iets zeggen over
de bestemming van het pasgeboren kind Jezus. Goud is kostbaar, een waardig
geschenk voor een koning. Maar goud is zuiver en heeft ook een symbolische
betekenis: wie een gouden hart heeft, is een goed mens. Zo was Jezus. De tweede
wijze geeft wierook, dat gebruikt wordt als reukoffer. In de opkringelende rook
maak je verbinding met dat wat je te boven gaat, met God zelf. Wierook is een
teken van eerbiedige overgave. Jezus leefde in nauwe verbondenheid met God, die
hij Vader noemde. De derde wijze brengt mirre. Mirre was erg kostbaar en heeft
een helende en reinigende werking. Mirre verwijst naar een zuiver hart. Tegelijk
verwijst het ook naar de dood. In de drie geschenken kunnen we al ontdekken, wat
dit Kind nog te wachten staat.
Annette Zoet,
pastoraal werker in de St. Paulusparochie.
Zondag 15 januari 2012, Tweede Zondag door het jaar (B): Geroepen worden
1 Samuel 3, 3b-10.19 en Johannes 1, 35-42
Terwijl de jonge Samuel in de tempel slaapt
samen met de oude priester Eli, wordt hij geroepen. Telkens denkt hij dat het
Eli is die hem roept. Als dat drie keer gebeurd is, begrijpt Eli, dat God Samuel
roept en hij vertelt Samuel wat hij moet doen als het weer gebeurt. We lezen ook
hoe de leerlingen van Jezus geroepen worden. Jezus doet dat niet zelf in het
Johannesevangelie. Johannes de Doper vestigt hun aandacht op Jezus door te
zeggen: "Zie het Lam Gods". Twee mannen die al leerling waren van
Johannes, die dus al bekeerd waren door zijn woorden, gaan Jezus achterna en
gaan met hem mee. Zij blijven bij hem. Eén van hen, Andreas, brengt zijn broer
Simon naar Jezus. Deze Simon krijgt van Jezus een nieuwe naam: Petrus - rots-
zal hij voortaan heten. In de katholieke kerk wordt het woord roeping bijna
uitsluitend in verband gebracht met priesters en kloosterlingen. Dat is
eigenlijk jammer, want in deze twee verhalen wordt uitgelegd dat roeping iets is
voor ons allemaal en tegelijk iets groots en eenmaligs. Ieder van ons denkt wel
eens na over de zin van haar of zijn leven. We willen er iets van maken. We
hebben een levensdoel, een droom, een ideaal en we proberen om dat gestalte te
geven. Als we daar zo mee bezig zijn, ervaren we ook regelmatig dat het leven
meer en groter is dan wat wij ons dagelijks voorstellen, plannen en bewerken.
Soms is het ons te veel en te zwaar, soms prijzen we ons gelukkig, soms weten we
er geen raad mee, soms neemt het een heel andere wending. Op zulke momenten
ervaren we: de zin van het leven gaat boven mij uit, is groter dat ik kan
bevatten en komt in zekere zin naar mij toe als een opdracht, een verwachting,
een roeping. Zo kan God ons allen roepen. Dat is niet altijd zo duidelijk als
bij Samuël of de leerlingen van Jezus. Misschien roept God ons meer verhuld,
meer in het voorbijgaan, in ons dagelijks leven, zoals bij de twee leerlingen
van Johannes. Ons leven is vol van ontmoetingen en momenten die ons aanspreken
op onze roeping. Soms hebben we net als Samuel een beetje hulp nodig om te
begrijpen, dat God ons zoekt, roept en wacht op ons antwoord.
Annette Zoet,
pastoraal werker in de St. Paulusparochie.
Zondag 22 januari, Derde Zondag door het jaar (B): Het gaat om bekering
Jona 3, 1-5.10 en Marcus 1, 14-20
"Bekeer je en luister naar het Woord
van God". Dat is de boodschap waar Jona en Jezus mee op weg worden
gestuurd. Jona moet de mensen van Ninivé waarschuwen, dat het slecht met hen
zal aflopen als ze hun goddeloze levenswijze vervolgen. Jezus is na zijn doop
door Johannes de Doper veertig dagen in de woestijn geweest, waar hij op de
proef werd gesteld door satan. Hij bleef trouw aan God en keert terug op een
spannend moment. Johannes de Doper, degene die opriep tot bekering en de mensen
wees op de Messias, is gevangen genomen. Jezus weet dan hoe moeilijk het gaat
worden ook voor hem, want ook zijn boodschap zal weerstand oproepen. Toch begint
hij met het vertellen over God. Hij doet dat op een plek waar het Woord van God
gelezen wordt, in de synagoge, waar de mannen van de joodse gemeenschap
samenkomen. Tegen hen zegt hij: De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij.
Jezus zegt in feite: wat er geschreven staat in de Schrift, wat profeten hebben
voorspeld, dat er een Messias, een Redder, zal komen, dat wordt nu
werkelijkheid. De tijd dat er vrede en gerechtigheid zal zijn, breekt nu
aan." Maar die goede tijding gaat vergezeld van een oproep tot bekering. In
het vervolg van het verhaal zien we dat ook gebeuren. Jezus vraagt aan Simon,
Andreas, Johannes en Jacobus om met hem mee te gaan en zijn leerlingen te
worden. Zij laten meteen hun boten en netten achter en gaan mee. Bekering heeft
dus iets te maken met afscheid nemen van een oude manier van leven, van oude
vertrouwde dingen, van mensen zelfs met wie je nauw verbonden bent. In het
verhaal klinkt hierover geen aarzeling. In werkelijkheid is dat niet zo
makkelijk en kost het veel tijd, moeite en pijn om afscheid te nemen van een
levenswijze, waarvan men wel weet, dat deze niet goed is, maar die toch
zekerheid bood. Bekering heeft ook te maken met berouw: voor aan een nieuw leven
kan worden begonnen, moet het verleden worden afgesloten. Je moet berouw tonen
over de fouten die je begaan hebt, zoals gebeurde met de inwoners van Ninivé.
God spaart hen en daarmee wordt onthuld, dat het in het Rijk van God gaat om
goedheid en vergeving, maar dat vraagt wel een grote inzet van ons!
Annette Zoet,
pastoraal werker in de St. Paulusparochie.
Zondag 29 januari, Vierde Zondag door het jaar (B): Wie is Hij toch?
Deuteronomium 18, 15-20 en Marcus 1, 21-28
Opnieuw gaat Jezus naar een synagoge om de
mensen over God te vertellen. Wat hij de mensen vertelt, staat er niet bij, maar
wel dat hij dat op een andere manier doet dan gebruikelijk. Van zijn woorden
gaat gezag uit. Zijn woorden raken de mensen en zij vragen zich af wie hij is.
Dan gebeurt er iets onverwachts: een man in wie een demon huist, begint te
schreeuwen. De demon herkent de bijzondere kracht van Jezus en schreeuwt, dat
hij de Heilige van God is. Jezus legt de demon het zwijgen op en beveelt hem weg
te gaan uit de man. Dat gebeurt, de man komt weer tot zichzelf. Alle mensen die
er getuige van zijn, zijn verwonderd en vragen zich af, hoe dat kan en wie die
man is die demonen zijn wil op kan leggen. Het verhaal gaat als een lopend
vuurtje door de streek. Marcus wil duidelijk maken wie Jezus is, maar dat doet
hij niet door Jezus een rede te laten afsteken, maar door te vertellen wat er
gebeurt als Jezus optreedt. In dit verhaal wordt duidelijk, dat Jezus een leraar
is die op bijzondere wijze de Schrift uitlegt, zodat mensen er door geraakt
worden. Ook wordt duidelijk, dat hij over bijzondere krachten beschikt die hem
in staat stellen een man te bevrijden van demonen. Hij is de profeet waarover in
Deuteronomium al wordt gesproken, degene die Gods woorden zal spreken. Hij is de
Heilige Gods, zoals de demon schreeuwt, maar Jezus verbiedt de demon verder te
spreken. Wie hij is, mag nog niet onthuld worden. Wie hij is, komt steeds meer
aan het licht in zijn leven, in zijn ontmoetingen met mensen, in gesprekken,
genezingen. Jezus wil de mensen vertellen over Gods' Rijk, dat komt, dat al
begonnen is, over hoe God redt en bevrijdt, nabij is, de weg wijst naar goed en
verantwoordelijk leven met elkaar. In zijn optreden voegt Jezus de daad bij het
woord: een man wordt bevrijd van kwellende demonen. Hij krijgt zijn leven terug
en kan zijn plek in de samenleving weer innemen. God vraagt ons om ook de daad
bij het woord te voegen en verantwoordelijk en betrouwbaar met elkaar om te
gaan.
Annette Zoet,
pastoraal werker in de St. Paulusparochie.
5e zondag door het jaar 5 februari 2012
Job. 7,1-4.6-7 Psalm 147, 1-6 1 Korintiërs 9,16-19.22-23 Marcus 1,29-39
"Moet de mens niet zwoegen op aarde,
dagen maken van een dagloner". "Vruchteloze maanden en nachten lang
van getob", klaagt Job tot God. Gedachten en gevoelens die we zeker
herkennen. Regelmatig vragen wij ons af wat heeft het voor zin, waar doen we het
voor als we opnieuw ontmoedigd raken, bij het zien van de beelden de tv en in de
krant. De oorlogen, het opleggen van onderdrukkende religies en dictatuur.
Mensen die in opstand komen tegen de regimes, tegen de onderdrukkende machten,
maar nog steeds vallen de slachtoffers onder de onschuldigen. In de psalm
klinken hoopvolle woorden over God die zijn volk weer opricht, herbouwt en
geneest van zijn wonden. Hij die zich met name bekommert om de kleine, verdrukte
mens en zondaars hun plaats wijst. Misschien een handreiking voor ons, om ons
niet te blind staren op onze onmacht maar te kijken naar wat wel in onze macht
ligt. De ander in onze naaste omgeving helpen, ondersteunen. Stukje bij beetje,
niet de pretentie hebben dat je alles oplost maar de ander helpen zich weer op
te richten zodat hij/zij weer verder kan. Zonder ons daarvoor op de borst te
kloppen en beloond te willen worden maar vanuit gebed en stilte de aandacht weer
op een andere hulpvrager te richten. Zoals Paulus en Jezus. Doorgeven van wat
wij ontvangen door heilige Geest van God zelf, onze kracht en macht er voor
elkaar te zijn en te leven vanuit de liefde van God. Soms is zwijgend naast de
ander zitten al voldoende, er zijn, nabij zijn opdat er iets van hoop mag
oplichten.
Marga Peters - van Langen
Pastoraal werkster St Paulusparochie
6e zondag door het jaar 12 februari 2012
Leviticus 13,1-2.45-46 Psalm 32,1-2.5.11 1 Korintiërs 10,31-11,1 Marcus 1,40-45
In Leviticus lezen we de voorschriften hoe
men om moet gaan met mensen die een huidziekte of gezwel hebben, het komt voort
uit een bekend onderdeel, namelijk de vraag over de verklaring van rein en
onrein. Wanneer ben je rein en wanneer onrein? Huidziektes kunnen besmettelijk
zijn, dat is ook het gevaar waar deze tekst op wijst. In het oude Israël waren
de priesters de deskundigen die dit moesten vaststellen en die bepaalden of
iemand in quarantaine moest. Pas wanneer er aan de voorwaarden voldaan was kon
men weer in de gemeenschap worden opgenomen. In de psalm wil de bidder zijn
fouten en zonden bekennen. Hij durft het omdat hij zich bij God veilig voelt,
dat hem vergeving wacht en geen uitsluiting. In de brief aan de Korintiërs gaat
het om de vraag of het toegestaan is om aan de goden gewijd vlees te eten.
Paulus geeft als leidraad dat een christen in alle doen en laten tot eer van God
leeft. Hij gaat uit van het centrum van de wet: God liefhebben met heel je hart
en je naaste als jezelf. Zoek in alles nooit je eigen voordeel. Bij Marcus
vraagt een melaatse, die als onreine buiten de gemeenschap is geplaatst, Jezus
om genezing. Daar waar de wet voorschrijft dat je deze mensen niet mag aanraken
geneest Jezus de man juist door aanraking. Jezus aarzelt niet om mensen aan te
raken. Hiermee geneest hij niet alleen maar herstelt ook het menselijke contact
en hij herstelt de toegang tot God. Jezus zoekt de grenzen op van het
reinheidssysteem en klaagt hiermee vooral de uiterlijke schijn ervan aan. Jezus
wordt door medelijden bewogen. Hij is tot in het diepste van zichzelf geraakt en
van daaruit handelt hij. Hoe zit dat bij ons? Hoe vaak voelen wij ons van binnen
geraakt en willen we de ander wel helpen maar laten we ons weerhouden door
regels en wetten?
Marga Peters - van Langen
Pastoraal werkster St Paulusparochie
7e zondag door het jaar 19 februari 2012
Jesaja 43,18-19.21-22.24b-25 Psalm 41,2-5.13-14 2 Korintiërs 1,18-22 Marcus
2,1-12
Het thema van het menselijk tekort het
menselijk onvolmaaktheid is door de hele geschiedenis heen besproken en blijft
onze aandacht houden. Steeds zoeken we een antwoord op het menselijk falen en
het lijden. Jesaja spreekt aan het eind van de Babylonische ballingschap als men
antwoorden zoekt naar het waarom. Hij is vol van de verlossing die God biedt.
Kijk niet terug maar vooruit, de Heer maakt een nieuw begin, waarbij het
verleden niet meer telt. De psalmdichter bezingt zijn God die mensen zegent die
de handen uitsteken naar anderen. Maar in zijn eigen leven ervaart hij het
anders, zijn leven wordt verduisterd door het verdriet dat anderen hem aandoen
en hij zoekt met velen naar de diepste oorzaak van menselijk lijden in een
verbroken band met God, in tekortschieten tegenover God. Hij ervaart zich van
mensen verlaten maar bij God veilig. De brief van Paulus weerspiegelt een
conflict tussen hem en de gemeente over andere evangelieverkondigers. Kennelijk
heeft men Paulus als wankelmoedig of misschien wel onbetrouwbaar ervaren. Paulus
maakt een zeer beslist statement. God heeft zijn zegel op ons gedrukt en als
voorschot op het leven de Geest in onze harten gegeven. Het oude Testament ziet
de verbroken band met God als de diepste oorzaak van menselijk lijden. Jezus
raakt door zijn uitspraak :'Jouw zonden zijn je vergeven", aan deze diepste
laag. Het verhaal is bijzonder in die verbinding van zondenvergeving en fysieke
genezing. Dat er in de eerste eeuw na Christus verband werd aangenomen tussen
ziekte, vergeving en genezing wordt ook duidelijk gesuggereerd in een passage
uit de 'Regel van de Gemeente' uit Qumram. De zieke is in Marcus niet direct na
het woord van vergeving genezen. Daar is een nieuw machtswoord van Jezus voor
nodig. De vier mannen en Jezus steken hun handen uit naar de mens in nood. De
schriftgeleerden blijven enkel bezig met hun theologische discussie. En wij? Wat
doen wij?
Marga Peters - van Langen
Pastoraal werkster St Paulusparochie
Aswoensdag 22 februari 2012
Joël 2,12-18 Psalm 51,3-6.12-14.17 2 Korintiërs 5,20-21.6,1-2 Matteüs
6,1-6.16-18
De confetti zit misschien nog in uw haren,
de haringen staan nog op tafel en het plezier van drie dolle dagen carnaval nog
in je lijf. Maar vandaag leggen we alles weer af, feestkleding en maskers worden
weer opgeruimd. Het was goed om samen feest te vieren, grappen en grollen, en de
draak te steken met elkaar, maar aan alles komt een eind. Vandaag kijken we in
de spiegel van ons binnenste en proberen we te komen tot een hernieuwde omkeer
tot God. Deze persoonlijke omkeer wordt in de eerste twee lezingen tot
uitdrukking gebracht met verschillenden beelden waarbij er steeds de nadruk op
ligt dat de gehele persoon en met name het hart, tot omkeer dient te komen. In
het evangelie ligt de nadruk niet zozeer op het doen van boete als op het
vasthouden aan de verlossing die door Christus tot stand gekomen is. Het
evangelie houdt wel met nadruk vast dat een uiterlijke show, die tot sociaal
respect leidt niet het idee van vasten [of bidden en aalmoezen geven] is, maar
dat dit eveneens op God gericht dient te zijn. Kortom we staan aan het begin van
de veertigdagentijd, ofwel het vasten en worden opnieuw opgeroepen ons te
oriënteren op God én op onze medemens, alleen niet tor eer en glorie van
onszelf maar in het verborgene, met de wetenschap dat het gezien wordt door God.
Marga Peters - van Langen
Pastoraal werkster St Paulusparochie
1e zondag van de Veertigdagentijd 26 februari 2012
Genesis 9,8-15 Psalm 25 1 Petrus 3,18-22 Marcus 1,12-15
Aan het einde van het zondvloedverhaal
neemt God het initiatief tot een verbond. Hij richt zijn verbond op met Noach.
Het eerste verbond in de bijbel is een universeel verbond van God met de aarde.
De hele schepping deelt in die verbondenheid met God. Noach was een rechtvaardig
mens, hij wandelde met God. In moderne woorden: hij onderhield een 'duurzame'
relatie met Hem. Daardoor kon hij zelfs het lot van de aarde ten goede keren.
Zijn echte nakomelingen leven eveneens vanuit een verbintenis met God en de
schepping. Zij laten zich op hun levensweg leiden door Gods aanwijzingen in Tora
[psalm] en evangelie. Marcus geeft het kort weer. De tijd dat de profetische
beloften werkelijkheid worden, is aangebroken. Op de proef gesteld door de satan
in de woestijn, maar gesteund door engelen keert Jezus terug naar Galilea. Jezus
vraagt aan de mensen zich weer om te keren naar God en zijn goede boodschap te
geloven. Door inkeer en berouw wordt de relatie met God herstelt. Betrokkenheid
op en vertrouwen in Hem vormen voortaan de kern van waaruit men leeft. Waar en
hoe beleven wij onze woestijn, welke beproevingen doorstaan wij, weten we ons
ook gesteund door engelen? Mogen ook wij ons daardoor gesterkt weten om ons
laten leiden op de paden van de Heer, in het spoor van Jezus.
Marga Peters - van Langen
Pastoraal werkster St Paulusparochie
4 maart 2e zondag 40-dagentijd
Genesis 22, 1-18 Evangelie Marcus 9, 2-10
'De binding van Isaak', of ook wel 'Het
offer van Abraham', zo wordt de Genesis-tekst wel genoemd die vandaag op de rol
staat. Het beroemde Bijbelverhaal staat in kleurig hout afgebeeld op het
hoofdaltaar van de eucharistische Calixtuskerk in Groenlo. Het paneel heeft een
centrale plaats aan het altaar. Het laat zien dat naast de Joden ook de
christenen dit een kernverhaal van de Bijbel vinden. Abraham snijdt zijn
geliefde zoon Isaak bijna de keel door. Een rituele slachtpartij, zo u wil. God
vraagt van hem om zijn veelgeliefde, zijn enige zoon, op te offeren. De haren
rijzen je te berge. Hoe kan God zoiets van een mens vragen? Toch, Abraham doet
het. Maar gelukkig, op het laatste moment wordt het gevaar afgeweerd. In plaats
van de weerloze jongen wordt een bokje geslachtofferd op het altaar. Ritueel
geslacht en verbrand, ter ere van God in den hoge. De tijd van rituele
mensenoffers is daarmee voorbij. De vrome Abraham hoeft zijn kind niet te doden.
De vrome Isaak mag zijn taak in de wereld vervolgen. Alleen het bokje, het lam,
bracht het er niet levend van af. Het sterft voor de zonden van de wereld: Agnus
Dei, qui tollis peccata mundi. Ook uw en mijn zonden mogen op de rug van het
arme beestje worden gelegd. Maar dan komt het: Jezus wordt in de liturgie 'het
Lam van God' genoemd. Is het dan toch nog een mensenoffer? Over de Mensenzoon
staat geschreven dat hij veel lijden moet. We kunnen om het lijden blijkbaar
niet heen. Er valt niet aan te ontkomen. Dat roept vragen bij ons op: Wat voor
zin is er in een offer(dood) te vinden? We willen aan doden graag iets zinvols
meegeven. Zijn of haar dood kan niet voor niets zijn. Dat verzacht de harde
realiteit een beetje. Sinds die vreselijke moord is er veel meer aandacht voor
slachtoffers gekomen, bijvoorbeeld. En: Sinds dat dodelijke ongeluk is dat
kruispunt beter beveiligd. Ook de dood van Jezus was niet voor niets. Ons leven
wordt er draaglijker van. Voel het en beleef het en ervaar de heilzame werking.
Met een vriendelijke groet
Simon Nagelmaeker
Pastoraal werker profielhouder diaconie Parochie St Paulus
11 maart 3e zondag 40-dagentijd
Exodus 20, 1-17 Evangelie Johannes 2 , 13-25
Vandaag worden ons de Tien geboden, of ook
wel de Tien Woorden voor gehouden. De belangrijkste leefregels waar Joden en
Christenen zich aan te houden hebben. Die regels zijn geschreven omdat velen
zich er niet aan hielden. Dat kun je wel nagaan. Waarom zou je dat anders zo
nadrukkelijk stellen? Maar ook omdat velen van nu zich er niet door willen laten
gezeggen. We hebben moeite met ieder die ons de regels stelt. Dat willen we
eigenlijk liever zelf bepalen. Dat is, denk ik, ook wel goed. Je moet er ook
zelf goed over nadenken aan welke regels jij je wilt houden. Maar dat neemt niet
weg dat je daarbij ook naar die heilige regels mag kijken. Jezus leefde vanuit
die heilige leefregels. Als Jood had hij nog veel meer regels waar hij zich aan
hield. Maar dat terzijde. Jezus ging er op een menselijke manier mee om. Als er
echte nood is, dan gaat het belang van het mensenleven dat bedreigd wordt voor.
Dat wil echter niet zeggen dat hij alle regels maar aan zijn laars lapte. Nee,
Jezus onderhield bijvoorbeeld de Sabbath, ging regelmatig naar de synagoge of
tempel, enz. Hoe zit dat met ons ? De katholieken van tegenwoordig nemen het
niet meer zo nauw met de zondagsheiliging. Daarmee overtreden ze één van de
tien Woorden, willens en wetens. Dat is ernstig. Is er dan een mensenleven mee
gemoeid dat men de zondag niet meer heiligt ? Over het algemeen is dat niet zo.
Dan mag niets die zondagsheiliging in de weg staan. Dat moeten christenen
ernstig nemen. Laten we deze Vastentijd dus goede voornemens maken. Laten we
weer terugkeren op de goede weg. Laten we bijvoorbeeld van de zondag weer een
dag van rust en gebed maken. Een dag voor het gezin, de familie. Een dag van
inkeer die apart staat van de rest van de week. Dat is trouwens voor niemand
verkeerd. Je laadt de accu weer op en ontspant. Je bent dan meer bezig met de
zin van je leven. Je denkt meer na over wat jou en anderen geluk brengt en
blijheid. Katholieke blijheid ook. Het mag en het kan.
Met een vriendelijke groet
Simon Nagelmaeker
Pastoraal werker profielhouder diaconie Parochie St Paulus
18 maart 4e zondag 40-dagentijd Zondag
laetare (Verheug je, Jerusalem!)
2 Kronieken 36, 14-23 Johannes 3, 14-21
De ballingen keren terug naar Jerusalem,
hun vrede-stad van weleer. Jaren hadden ze in een vijandige omgeving moeten
leven. Ze hadden er desondanks een redelijk goed bestaan opgebouwd. Toch wilden
ze weer terug naar hun geboortegrond. Dat blijft trekken. Dat herkennen we wel.
Maar het is ook moeilijk om je weer los te moeten maken. Ieder die wel eens
verhuisd is naar een ander gebied kan er over meepraten. Je moet alles weer van
de grond af aan opbouwen. Alles is je vreemd. Daar heb je niet altijd meer de
puf voor. Het lukt hier toch ook wel? Waarom toch die onrust? Dan sturen we
verhuisbriefjes met vreugdevolle verwachtingen erop afgedrukt. Het is wel een
beetje dubbel.. Maar goed, die ballingen van toen… die gingen toch weer terug
naar aloude grond? Naar hen bekende plaatsen? Ja, dat zeker, maar de meesten
weten het alleen maar van oude verhalen. Hoeveel kracht zit er nog helemaal in
die oude verhalen? Zoiets als: Mijn opa woonde als kind in Haarlem. Wat heb ik
nou met Haarlem? Opa is allang overleden. Wat heb ik daar nou te zoeken? Het
Bijbelverhaal is echter sterker als een gewoon verhaal. Niet voor niets staat er
in de Bijbel: Jeruzalem, mijn hand eraf als ik jou mocht vergeten.. Als
rechtgeaard katholiek zou ik zoiets niet zo snel over een stad als bijv. Rome
zeggen. Hoewel Rome toch wel een heel mooie stad is met voor christenen aardige
trekpleisters. De paus woont er, het is het centrum van de R.K. wereldkerk.
Toch, Rome blijft een stad als andere historische steden. Ze is niet bekleed met
heiligheid. Maar Jeruzalem… Ja, dat ligt anders. Het is toch wel een stad met
dieper doorwerkende papieren. Niet Rome, maar Jeruzalem is de 'navel', het
religieuze zenuwcentrum van de wereld. Kom, laten we naar Jeruzalem gaan!
Jeruzalem, we komen er aan!
Met een vriendelijke groet
Simon Nagelmaeker
Pastoraal werker profielhouder diaconie Parochie St Paulus
25 maart, 5e zondag 40-dagentijd
Jeremia 31, 31-34 Johannes 12, 20-36
Vandaag passeert een mooie zin in de
lezingen: Als een graankorrel niet in de akker sterft, blijft hij onvruchtbaar.
Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het. Het klinkt zo tegenstrijdig.
In de graankorrel huist een levenskiem. Die kan best een tijdje zonder water of
licht. Maar dat kan natuurlijk niet te lang duren. Als er nog wat uit wil
groeien, dan moet ie de grond in, vocht opnemen en dan gaan ontkiemen. De goede
temperatuur doet dan de rest. Zo is het ook met een mens. Maar een mens is geen
plant! Nee, gelukkig hoeven we niet de grond in met vocht, mest en zonlicht. Als
mens worden we pas echt vol mens als er naast voedingsstoffen, een goede
leeftemperatuur ook menselijke goedheid ervaren, liefde ontvangen en leren wat
van waarde is en wat beter vermeden kan worden. Als we een goed voorbeeld van de
volwassenen om ons heen krijgen. Als we op zijn tijd gecorrigeerd worden en
gestimuleerd om het goede te doen. Zo groeit een mensje op tot een echt mens.
Voeden is goed, maar opvoeden is minstens zo belangrijk, zo niet beter. Kansen
krijgen om tot ontwikkeling te komen. Toch lijken we op die graankorrel. Hij
moet zichzelf open laten breken. Zichzelf geven om te kunnen groeien. Dan geeft
h/zij bij de oogst een veelheid aan nieuwe korrels. Je staat er verbaasd van
hoeveel ook een mens kan geven. Hoeveel vrucht een mens kan geven aan velen om
zich heen. Dan straal je licht uit in de kerk en de samenleving. Juist door je
los te maken uit je eigen belangen en je zelfzucht, krijg je zicht op geluk en
energie om bergen te verzetten. Laten we ons in deze Vastentijd inprenten, dat
we van dat 'breken en delen' ons levensmotto maken.
Met een vriendelijke groet
Simon Nagelmaeker
Pastoraal werker profielhouder diaconie Parochie St Paulus
|
Als u wilt reageren op deze overdenkingen dan kan dat via onze
contactpagina |